LOADING

Joël Waterman

Altviolist bij de muzikale ontdekplek in Amsterdam

Altist als kameleon

Interview en tekst: Annie Oude Avenhuis - 18 juli 2017 

Joël Waterman is altviolist, zowel kamermusicus als orkestmusicus. Hij studeert cum laude af. Wat fascineert hem aan de altviool? ‘De ongelooflijke rijkdom aan geniale kamermuziek, de diepe klank en de bijzondere rol van de altviool in het ensemble.’ EnsembleCaméléon vormt jarenlang de kern van zijn activiteiten, dat door pers en publiek wordt geprezen.

Vogeltje op een tak
‘Op mijn 5e kreeg ik les van Anneke Schilt op de muziekschool in Amstelveen. Zij had een leuke speelse aanpak met tekeningen en spelletjes. Als je een andere snaar moest zoeken, dan sprong je naar een ander plekje. Zij liet het instrument ervaren aan kinderen.’ Hoe deed ze dat? ‘Ze zei bijvoorbeeld: “Je rechterhand moet op een strijkstok staan, zoals een vogeltje op een tak neerstrijkt.”  ‘Viool spelen is een raar fenomeen, de houding is onnatuurlijk. Daar moet je vroeg mee beginnen om het kinderlijf te laten wennen aan de viool. Zij heeft dat goed gedaan: ik ben fysiek comfortabel met het instrument.’

Altviool komt in beeld
Coosje Wijzenbeek wordt zijn volgende docent. Hij is dan twaalf jaar en gaat naar het gymnasium. De technische basis van zijn vioolspel gaat enorm vooruit, maar haar aanpak vond hij niet stimulerend. ‘Wat ze wel scherp heeft gezien is dat die altviool heel goed bij mij paste.’ Hij gaat naar de vooropleiding van het conservatorium en krijgt wekelijks les op de altviool van Marjolein Dispa. ‘We hadden meteen een klik.’ Zij zag zijn talent. Op zijn eindexamen speelt hij een strijktrio, dat hij zelf heeft gecomponeerd.

Kamermuziek
Wat fascineert hem aan kamermuziek? ‘Het genre van het strijkkwartet heeft de allergrootste componisten geïnspireerd hun allemooiste muziek te schrijven. En de rol van de altist in een strijkkwartet bevalt me uitstekend. Je zit letterlijk in het centrum van de muziek. Daarbij wissel je voortdurend van een begeleidende rol naar een solistische. Een collega altist zei ooit: “In een paar seconden kunnen we van een lammetje in een leeuw veranderen.”

Splendor
'Een geweldige plek, een ideale locatie om te repeteren en je eigen concerten vorm te geven. Op één van mijn ledenconcerten speelden we Beethoven’s strijkkwartet opus 130, met de Grosse Fuge als Finale. Een monumentaal werk, dat ik in 25 jaar strijkkwartet spelen nog nooit had uitgevoerd. Een jarenlange droom, die eindelijk in vervulling ging. Het zijn moeilijke tijden voor de klassieke muziek. Mensen proberen op een te krampachtige manier om een groot publiek te bereiken: het liefst zo laagdrempelig mogelijk.  De muziek wordt op deze manier soms geweld aangedaan.’ Wat moet er dan wel gebeuren? Joël: ‘het publiek moet ingewijd worden in de muziek. Deel met mensen wat er gebeurt in de muziek, welke mensen de componisten waren, wat de muziek voor jou betekent. Als je de muziek durft te presenteren zoals die is, dan verandert de ervaring  van het publiek ingrijpend en dat werkt!‘ 

Samenspel met vader                                                    
‘Mijn allereerste ervaring in een professioneel orkest was bij het Koninklijk Concertgebouw Orkest (KCO). Sinds mijn conservatorium tijd ben ik remplaçant (vervanger) bij het KCO. Mijn vader speelde 1e viool in het KCO. Hij zei tegen de concertmeester: “Ik heb een zoon, die wil wel eens meespelen”. En zo geschiedde. Op mijn 18e speelde ik samen met mijn vader in het KCO, de Ouverture Fidelio van Beethoven. Dat vond ik heel erg leuk. De inzet ging zo snel dat ik de eerste maten vergat mee te spelen. Ik ben dankbaar dat mijn vader mij in het diepe heeft gegooid. Ik vond het heel erg leuk om met hem te spelen in het KCO. Ik was omringd door excentrieke en artistieke types. Mijn vader was anti-autoriteir: dat had hij als Joodse jongen van de oorlog (WOII) meegekregen. Hij moest op zijn 7e onderduiken, gescheiden van zijn ouders. Voor mijn vader en mij was de orkestcultuur in die tijd informeler dan nu en daar voelde ik me beter thuis. Tientallen projecten deden we samen. Hij zat bij de 1e violen vooraan; ik zat achteraan bij de altviolen. Maar in de verte zagen we elkaar en hadden leuk contact. We hadden een goede verstandhouding, mijn vader en ik.’